Problemen en complicaties


Bij elke behandeling kunnen zich ongewenste problemen of complicaties voordoen. Hieronder vindt u de meest voorkomende problemen en complicaties en wat u er zelf aan kunt doen. 


Infectie na een operatie

Komt gelukkig zeer zelden voor dankzij antibiotica rondom de operatie en de steriliteit in de operatiekamer. Infecties herkent u aan roodheid en soms pusuitvloed uit de operatiewond en soms ook koorts of ziek-zijn. In dat geval meldt u zich bij uw ziekenhuis of eerste hulp. Infecties komen overigens vaker voor na open (“gecompliceerde”) botbreuken. In extreme gevallen betreft het een diepe infectie en moet de plaat met schroeven verwijderd worden.


Tintelingen of verminderd gevoel na de operatie

Het komt in zeldzame gevallen voor dat u na de operatie een doof of tintelend gevoel hebt over de handrug. Vaak betreft het een zenuwkneuzing ten gevolge van de operatie. Dit trekt vaak binnen 3 maanden weer langzaam weg. Bij een enkele patient trekt dit niet weg en blijkt een huidzenuw onherstelbaar beschadigd. In dat geval wordt het gebied in de loop van een jaar kleiner, maar zal permanent aanwezig blijven.

Peesproblemen

Soms irriteert de polsplaat na een operatie de buispezen in de pols. In dit geval zal de plaat, na volledige botgenezing, verwijderd moeten worden in de toekomst. Ook kan het in extreem zeldzame gevallen voorkomen, dat de schroeven de steekpezen beschadigen, zodanig dat deze zelfs kunnen scheuren. U merkt dan ineens dat u een van uw vingers niet meer kunt strekken. U dient zich dan uiteraard te melden.


Vertraagde botgenezing

Soms groeit het bot langzamer of helemaal niet. Dit kan door een aantal zaken veroorzaakt worden: roken en suikerziekte zijn de meest bekende lichamelijke oorzaken. Ook kan het voorkomen dat het bot niet voldoende gefixeerd bleek te zijn. Soms is er in uitzonderlijke gevallen sprake van een ontsteking van het bot na een bijvoorbeeld een open botbreuk of operatiewond. Probeer gedurende de botgenezing (6-8 weken) te stoppen met roken. Zorg ervoor dat uw suikers goed ingesteld zijn. 


Verplaatsing van het bot

ondanks de behandeling, toch wat verder in. Hierdoor lijkt er soms een bocht in de pols ontstaan te zijn. De functie van de pols is gelukkig meestal hierdoor niet aangedaan en hebben patienten hier weinig hinder van. Soms kan een ondersteunende brace prettig zijn bij zwaardere activeiten.

Slagaderbeschadiging

Tijdens de operatie van de polsplaat, gaat uw chirurg vlak langs een van de twee slagaders van de pols. Deze kan beschadigd raken. Tijdens de operatie wordt dan gekeken of deze nog hersteld kan worden of dat deze kan worden afgebonden (de pols heeft gelukkig twee slagaders!). Dit resulteert in principe niet in problemen van de pols. Uw chirurg zal u na de operatie hiervan op de hoogte stellen mocht dit zeldzame probleem zich hebben voorgedaan.


Carpaal tunnel syndroom

In enkele gevallen kan de anatomische tunnel aan de binnenzijde van de pols door vocht of druk vernauwd raken. Hierdoor kan een handzenuw bekneld raken waardoor tintelingen in de vingertoppen ontstaan. Met name s’ nachts kunnen de klachten zich voordoen. De behandeling bestaat uit rust door een nachtspalkje, een injectie met ontstekingsremmers of een kleine chirurgische ingreep.


Schroefpen infectie

Indien u behandeld bent met een externe fixateur is het belangrijk de pennen die uit de huid steken regelmatig met alcohol te verschonen. U moet voorkomen dat er korstjes rondom de pennen ontstaan omdat er anders gevaar dreigt om een infectie van de schroefpennen. Dit uit zich door pus en/of roodheid rondom de insteekopeningen. Meldt u zich in uw ziekenhuis als u dit constateert. 


Posttraumatische dystrofie / CRPS

In zeldzame gevallen kan na de behandeling CRPS aan de pols ontstaan. Verschillende onderzoeken hebben uitgewezen dat vitamine C gebruik tijdens de behandeling dit kan voorkomen (zie
nabehandeling).
De allerbelangrijkste methode om dystrofie te voorkomen is om de pols weer spoedig na de behandeling te bewegen en te gebruiken! Soms betekent dat er voorzichtig door pijn heen geoefend moet worden. Een fysiotherapeut of handtherapeut kan hierbij helpen.

Als eenmaal CRPS ontstaan is, wordt dit behandeld door DMSO crime (5x daags dun aanbrengen), Fluimicil tabletten (3x 600 mg) en vitamine C tabletten (1x daags 500 mg gedurende 50 dagen) en fysiotherapie. De behandeling duurt meestal 3 maanden.

Gipsklachten

zie hiervoor de
tip-pagina met oplossingen